blog

‘Je kunt alleen geven als je iets te geven hebt’

Mantelzorger Frank Verborg zorgt samen met anderen voor zijn schoonzus die een dwarslaesie kreeg na een val van de trap. Iedere zaterdag komt hij er over de vloer en doet klusjes.




Ongeveer 4,4 miljoen Nederlanders geven mantelzorg. Met deze ondersteuning kunnen veel mensen thuis blijven wonen, blijven werken, actief blijven in de maatschappij en verbetert de kwaliteit van hun leven. Bovendien doen zij minder beroep op de professionele zorg. Het is een wijdverspreide aanname dat vrouwen meer mantelzorg verlenen dan mannen en daardoor vaker de dupe zijn van de dubbele belasting van werk en zorgtaken.


Tot de 42 procent mannelijke mantelzorgers behoort Frank Verborg. Hij wordt binnenkort 63 jaar, heeft een partner en twee volwassen zoons. Hij is zelfstandig ondernemer en al 26 jaar werkzaam als organisatieadviseur en managementcoach. Frank is daardoor bekend in verschillende organisaties, profit en non-profit en ook organisaties voor sociaal werk. In die organisaties helpt hij mensen om lastige veranderingen voor elkaar te krijgen.


Rolstoelafhankelijk


‘Mijn schoonzus viel zes jaar geleden thuis van de trap. Wij lagen om 11 uur ’s avonds in bed en werden gebeld. Mijn zoon en zijn neef waren op dat moment bij haar in huis en zagen haar onder aan de trap liggen. Ze zei dat ze niet meer bewegen kon. We zijn direct naar hen toegegaan, de ambulance was gebeld. Mijn schoonzus bleek een hoge dwarslaesie te hebben. Ze was toen 53 jaar. Ze is een half jaar behandeld in revalidatiecentrum de Hoogstraat en woont sindsdien weer thuis. Door de dwarslaesie is ze ernstig verlamd. Ze kan haar armen bewegen, maar haar handen nauwelijks. Het is bijvoorbeeld lastig om dingen vast te pakken. Ze is rolstoelafhankelijk. Mentaal is ze echter precies dezelfde gebleven. “Ik ben ieders nachtmerrie”, zegt mijn schoonzus wel eens.’


‘In het begin was ze 24 uur per dag volledig afhankelijk van anderen die haar verzorgden. Op dit moment wordt ze in de ochtend vanaf 8 uur verzorgd door mensen van Buurtzorg. Zij helpen haar uit bed en ondersteunen haar zodat ze naar haar werk kan. In de avond komen ze rond 10 uur weer terug en wordt ze verzorgd om te gaan slapen. Daarnaast is haar partner beschikbaar. Mijn schoonzus werkt na de revalidatie weer parttime in dezelfde baan als voor het ongeluk: twee dagen in de week voor de lerarenopleiding van de universiteit. Ze gaat er met de handbike heen. Dat werk is voor haar belangrijk. Anders ben ik alleen maar patiënt, zegt ze.’


Sterk sociaal weefsel


‘Om mijn schoonzus heen bestaat gelukkig een sterk sociaal weefsel’, legt Frank uit. ‘Professionals zijn de mensen van Buurtzorg, ongeveer tien verzorgenden in totaal. Andere mensen vullen de rest van de dag in: haar partner in de eerste plaats, de kinderen, andere familieleden en vrienden. Dat sociale weefsel is erg belangrijk. Je kunt elkaar aanvullen en creatief zijn. Iedereen is goed in iets anders. Zo is er iemand die in het begin de hele financiële rompslomp met de gemeente regelde. Er is uiteraard wel contact tussen vrienden, familie en Buurtzorg-mensen. Ik zie ze ook wel eens op zaterdag. Dat is sporadisch en niet georganiseerd. Ook met de huisarts hebben wij geen contact. Mijn schoonzus regelt alles zelf, ze regisseert haar eigen leven.’


Frank combineert mantelzorg met zijn vijfdaagse werkweek. ‘Het is nu vijfeneenhalf jaar geleden dat mijn vrouw en ik opeens mantelzorgers werden. Dat brengt naast plichten ook vooral veel gezelligheid met zich mee. Wij komen elke zaterdagochtend naar haar toe en blijven er twee tot drie uur. We drinken er koffie, praten wat, lachen om de column van Youp van ’t Hek, nemen de week door en gaan dan aan het werk. We hadden al snel het concept bedacht: zaterdag zijn we jouw handen. Boodschappen doen, de bloemen, de tuin, de kleding verzorgen, opruimen. Kortom allerlei hand- en spandiensten. Voor iemand met een ernstige beperking kan een beetje rommel buitengewoon frustrerend zijn. Als je verlamd bent, is het afhankelijk zijn al lastig genoeg. Je moet alles vragen.’


‘Leer dus af dat je je eigen ideeën volgt en zet de knop om. Je hoeft namelijk niet mee te denken, je moet gewoon doen. Het gaat om heel praktische dingen. Mijn schoonzus geeft aan wat ze wil, zij voert dan de regie. Je moet leren te doen wat je gevraagd wordt. Het gaat er niet om wat jij wil, het gaat om beschikbaar zijn. We zijn haar handen.’


Niet altijd zin


‘Je hebt er niet altijd zin in om daar op zaterdagochtend heen te gaan. Maar dat vaste moment helpt enorm. Het is geen vraag of je gaat, je doet het gewoon. Die zaterdag geeft ook een mooi ritme aan de week. Vroeger stond ik met de kinderen elke zaterdagochtend op het voetbalveld. En nu doe ik dit. Bovendien was en is mijn schoonzus gewoon een heel leuke vrouw. Ik kijk er naar uit en beleef er dan ook veel plezier aan’.


Uit onderzoek van Movisie blijkt een accentverschil: mannen hebben een meer taakgerichte houding ten opzichte van mantelzorg en vrouwen bieden zorg vanuit een relatiegerichte houding. Mannen ervaren mogelijk daardoor minder snel overbelasting. ‘Wij merken niet dat we overbelast raken. Er is ook inderdaad een plicht om iedere week te gaan maar dat moet je niet overdrijven. Je moet alleen geven als je iets te geven hebt. Soms heb je behoefte aan een zaterdagochtend voor jezelf. Dan moet je dat eerst voorrang geven, anders ontstaat uitputting. Dat vraagt een soort balans. Dus niet uit een soort heilig moeten aan jezelf voorbijlopen.’


Het helpt dat hij niet de enige is die voor haar zorgt. ‘Ik heb niet het gevoel dat de zorg alleen van mij afhangt. De zorg die gegeven wordt door die hele krans van mensen om mijn schoonzus heen helpt natuurlijk enorm om die balans te bewaren.’


Normen en waarden


‘Vanuit je eigen opvoeding heb je normen en waarden meegekregen die ook nu een rol spelen. Zorgen voor elkaar is vanuit mijn opvoeding vanzelfsprekend. Het lot dat mijn schoonzus getroffen heeft, is onomkeerbaar. Ze moet dit, met een woord dat ze zelf gebruikt, verduren. Als je dit dan ook maar enigszins kunt verlichten, is dat geluk. Je krijgt er ook veel voor terug.’ Ondersteuning en samenwerking met sociale professionals is nu niet echt nodig. ‘De last is verdeeld over meerdere schouders. Als je als echtgenote of broer de enige bent die zorgt dan kan de situatie beklemmend en zwaar zijn. Maar voor mijn schoonzus is het zo goed geregeld. De professionals zie ik bij de koffie. Ik weet dat ze er zijn, dat ze goed zijn, maar ik maak er als mantelzorger geen gebruik van. Dat ligt natuurlijk anders voor haar partner. Ik weet dat er mantelzorgondersteuning is en respijtzorg plus een jaarlijks compliment. Maar wat gaat er gebeuren in de relatie als je kosten gaat declareren? Zorg voor elkaar is een bron van geluk en geeft veel vreugde. Geven is gemakkelijker dan vragen. Kijk zo eens naar mantelzorg.’


Dit verhaal is geschreven door Marian Kremers en gepubliceerd in het Vakblad Sociaal Werk. Kremers is sociaal werker en journalist

frank@frankverborg.com

06 - 538 40 071​​

contact